Het menselijk lichaam bestaat uit zo’n 37.000 miljard lichaamscellen. Een cel is meestal enkele tientallen micrometers groot en bestaat uit een membraan (de “huid” van de cel), het celvocht (cytoplasma) en de celkern (zo’n 5-10 micrometer groot).

De celkern bevat het DNA – de stoffelijke blauwdruk van het lichaam – dat in elke cel zo’n 2 meter (!) lang is; het DNA is ongelooflijk slim in de celkern opgevouwen. Het DNA ziet er uit als een gedraaide ladder (de “dubbele helix”) en elke trede van die ladder bestaat uit 29 of 30 atomen: koolstof, waterstof, stikstof, zuurstof. Elke trede bevat 10 of 11 waterstofatomen. Zo’n atoom kun je je voorstellen als een bol met in het middelpunt de atoomkern en daaromheen cirkelt – heel ver weg – een elektron.

Als je dat atoom vergelijkt met de Sint Pieter kathedraal dan cirkelt het elektron ergens bij het plafond en de atoomkern is een vlieg in die kathedraal met het gewicht van die kathedraal. Het atoom is voor 99,9999999999996% volkomen leeg. Dat soort waanzinnige verhoudingen gelden ook voor alle overige atomen.

Een cel bestaat uit zo’n 100.000 miljard atomen. En – zoals gezegd – je lichaam bestaat uit zo’n 37.000 miljard cellen. Als je alle leegte in al die atomen van al die cellen weg zou halen is je lichaam kleiner dan een zandkorrel en onzichtbaar voor het oog. Maar je gewicht zou gelijk zijn gebleven.

Binnenin je huist een onvoorstelbare ruimte. Stel je dat eens voor!